|
Geachte minister Koenders,
Het Syntheserapport is op 20 oktober jl. het onderwerp van een brede discussie onder onze leden geweest. Met deze brief willen wij enkele uitkomsten van deze discussie graag met u delen.
Al onze leden kunnen zich - in meer of mindere mate - vinden in de negen samenvattende ‘Conclusies en aanbevelingen’ van het rapport. Zo is de branche ervan overtuigd dat met meer samenwerking, zowel onderling als met kleinere particuliere partijen en met het bedrijfsleven, inderdaad méér kan worden bereikt (nr. 5 van de ‘Conclusies en aanbevelingen’). Tegelijkertijd wijzen wij echter op het grote belang van variëteit en diversiteit in de Internationale Samenwerking, zowel in het Noorden als in het Zuiden. De wereld is immers niet eenvormig, en nog minder eenduidig. Wij zijn derhalve voorstander van wisselende, goed gekozen allianties om vooraf welomschreven doelen zo efficiënt mogelijk te bereiken. Om dergelijke samenwerkingsverbanden mogelijk te maken, kunnen wij ons voorstellen dat het ministerie het werk aan de oplossing van bepaalde, vastomlijnde problemen, via een vorm van open inschrijving aanbesteedt.
Wellicht ten overvloede laten wij u weten, dat innovatie, vernieuwing en verandering (nrs. 4 t/m 7 van de ‘Conclusies en aanbevelingen’) bij onze leden hoog op de interne agenda’s staan. Innoveren betekent echter ook investeren en risico’s nemen, kortom zaken waar de huidige wijze van aanvragen en verantwoorden geen enkele ruimte voor biedt. Om dit te ondervangen, zouden – behalve op operationeel niveau - ook op strategisch niveau aanvragen moeten kunnen worden ingediend, met ruimte voor bijstellen als gevolg van veranderende omstandigheden. Nog beter zou het zijn, wanneer een soort basisinfrastructuur voor Internationale Samenwerking in ons land aanwezig zou zijn. Zonder een degelijke fundering is het immers vrijwel onmogelijk om een lange termijnstrategie te ontwikkelen, laat staan te implementeren. Alleen al de economische vliegwielwerking van de branche zou zo’n basisinfrastructuur alleszins rechtvaardigen.
Het geven van de juiste prikkels wordt door onze leden als zeer belangrijk ervaren, en die hoeven niet louter financieel te zijn. Waardering en erkenning zijn evengoed prikkels die risico nemen, het opzetten van nieuwe en onconventionele samenwerkingsverbanden en het leggen van relaties buiten de eigen sector, kunnen bevorderen. Een nieuw stelsel zou dan ook prikkels moeten bevatten die allerhande vormen van samenwerking uitdrukkelijk stimuleren.
Verder beschouwen onze leden de 25% regeling als een te rigide verplichting, die onvoldoende rekening houdt met de veelzijdigheid van de branche. Sommige onderwerpen lenen zich nu eenmaal niet voor fondsenwerving en zijn toch zeer relevant. Een regeling die beter aansluit op de branche, zou inhouden dat voor noodhulporganisaties de lat bijvoorbeeld misschien wel op 50% kan worden gelegd; op 5% voor beleidsbeïnvloedende organisaties of programma's.
Tot slot een opmerking over de verantwoordingsdruk (nr. 1 van de ‘Conclusies en aanbevelingen’). Deze is momenteel zo hoog, dat enkele van onze leden aangeven dat hun medewerkers hier soms 80% van hun tijd mee bezig zijn. Niettemin staan nut en noodzaak van verantwoording bij ons niet ter discussie. Wel is de notie breed aanwezig, dat de wijze waaróp efficiënter en goedkoper kan. Als branchevereniging willen wij u graag in overweging geven om (ook) met visitatiecommissies te werken. Dit is een vorm van verantwoording die onder meer in het hoger onderwijsveld al jaren met veel succes in gebruik is en naar onze overtuiging niet alleen meer recht doet aan de aard van ons werk, maar ook aan de complexe context waarin dit tot stand komt.
Wij zien uit naar uw reactie van 6 november a.s. en vertrouwen op een zinvolle en toekomstbestendige verwerking van het rapport in de beleidsnotitie. Uiteraard zijn wij te allen tijde bereid tot het geven van een toelichting of het meewerken aan nadere uitwerking van genoemde punten.
Met vriendelijke groet,
namens Partos
Marie-Trees Meereboer
|